Development

Software-ontwikkeling

Goed idee, maar er is nog veel te leren

16 november 2015

Alexander Serebrenik is hoofddocent software evolution aan de TU Eindhoven. Hij werkte mee aan veel internationale onderzoeken op het gebied van vrouwen in de ICT, maar ook hij kent geen onderzoek naar hoe je software ontwikkelt speciaal voor vrouwelijk gebruikers. Hij vindt het wel nodig dat hiernaar wordt gekeken. “Uit onderzoek blijkt dat je mensen beter van tevoren bij een project kunt betrekken – vóór je iets gaat maken. Dat ligt voor de hand, maar als het om software gaat, zie je dat veel wordt ontwikkeld vanuit het ik-perspectief. En die ‘ik’ is de ontwikkelaar zelf, en dat is meestal een man. Dat zorgt voor een zeker ongemak. Die ontwikkelaar is sterk geneigd iets voor zichzelf te maken, voor iemand zoals hij. Daardoor zijn gebruikers die op de ontwikkelaar lijken meestal tevreden met de software, maar andere gebruikers zijn heel wat minder (snel) tevreden.”

Dat is een praktijk die in de afgelopen jaren maar weinig is veranderd, constateert Serebrenik. Serebrenik onderzocht hoe vrouwen en mannen zich gedragen op het sociale platform voor softwareontwikkelaars Stack Overflow. Daaruit bleek dat mannen langer actief blijven op het platform dan vrouwen. “Vrouwen stellen en beantwoorden in de tijd dat ze op het platform zijn relatief even veel vragen als de mannen, maar ze ­gedragen zich anders. De vrouwen verklaarden ook dat ze niet actief op zoek zijn naar vragen om die te beantwoorden waarmee ze dan weer meer punten krijgen. Het platform is opgezet door mannen en dat merk je. In interviews heeft oprichter Jeff Atwood het dan ook veel over ‘ik’ en ‘mij’ als hij over het platform vertelt.”

Serebrenik wijst ook op De Digitale Stad die in 1994 werd opgezet in Amsterdam – die trok uiteindelijk maar 9 procent vrouwelijke bezoekers. Voornamelijk hoogopgeleide mannen gingen er mee aan de slag. “Els Rommers van de Radboud Universiteit heeft er onderzoek naar gedaan. De ontwikkelaars lachten om het idee dat ze de gebruikers zouden moeten vragen hoe dat ontworpen zou moeten worden. Er zit zeker 15 jaar tussen de start van Stack Overflow en de Digitale Stad, maar de houding van de meeste ontwikkelaars is nog hetzelfde.”

Toch is de ontwikkelaarsgemeenschap veranderd, zegt Serebrenik. “Bij veel discussies lijkt het uitgangspunt dat ontwikkelaars allemaal hetzelfde zijn. De ontwikkelaar zou een geslachtsloos wezen zijn dat alleen uit hersenen bestaat. Maar het gaat niet alleen om geslacht, ook om achtergrond en vooropleiding. Nu wordt veel software ontwikkeld door mensen die geen informatica hebben gestudeerd en die letten op heel andere dingen dan informatici. De ontwikkelaarsgemeenschap is heel divers.” Hij vervolgt: “Als je iets voor ‘mensen’ ontwikkelt, is het handig te beseffen dat dit ook voor vrouwen is. Dan is het wel zo goed als er wat meer vrouwen aan boord zijn. De vraag is alleen hoe je meer vrouwen bij de ontwikkeling kunt betrekken, dat is praktisch soms niet te doen.”

Studentes

Bij de studie informatica wordt nu meer nadruk gelegd op de requirements van stakeholders, zegt hij, en ook op de persoonlijkheid van de studenten. “Onze visie is dat je niet alleen gericht kunt zijn op de harde techniek, maar dat ook aandacht moet worden geven aan professionele vaardigheden. Alle masterstudenten krijgen een beoordeling op skills als samenwerken, presenteren en schrijven. De ingenieur van de toekomst heeft niet alleen technische expertise nodig maar ook algemene. Sinds dit jaar doen studenten een assessment op die skills. Op basis daarvan ontwikkelen ze samen met een mentor een persoonlijk ontwikkelplan.”

Serebrenik is zelf opgeleid in Israël en ziet hier in Nederland een wel zeer laag percentage vrouwelijke studenten in softwareontwikkeling. “Toen ik in Jeruzalem studeerde, was 25 tot 30 procent van de studenten vrouw. Toen ik hier begon als docent hadden we 2 studentes per jaar. Nu is dat wel verbeterd. We verwachten dat komend studiejaar 10 procent van de eerstejaars vrouwelijk zal zijn.” Die groei is echter voor een groot deel te danken aan het feit dat de opleiding Engelstalig is en daardoor meer buitenlandse studenten trekt. “Gelukkig blijven de meesten ook wel in Nederland hangen. Hier in de omgeving bijvoorbeeld heb je veel grote bedrijven zoals Philips, ASML, waar ze gaan werken.”

Die toename is ook te danken aan het feit dat de TU/e naast de klassieke technische informatica-studies ook een bachelor webscience aanbiedt en meer vakken op het gebied van mens-machine-interactie. Daarnaast zijn er veel randactiviteiten om informatica in het algemeen bekender te ­maken als mogelijke studie. Hij noemt het vrouwendispuut Athena als voorbeeld. Ook ACM, de wereldwijde organisatie voor ICT’ers, heeft een speciale afdeling voor vrouwen: ACM-W. “We stimuleren dat promovenda zich daarbij aansluiten. Ze krijgen daar ook soms beurzen voor bezoeken aan congressen die ACM-W organiseert zoals WomENcourage.”

Dat softwareontwikkeling vooral een mannending is, vindt Serebrenik des te vreemder als je naar de geschiedenis van het vak kijkt. “Zeker als je bedenkt dat Ada Lovelace, de dochter van Lord Byron, 150 jaar geleden eigenlijk de eerste programmeur was. Zij ontwikkelde programma’s voor de analystische machine van Babbage. En in de Tweede Wereldoorlog hebben heel veel vrouwen geprogrammeerd omdat er domweg niet genoeg mannen waren. Toen werd het beschouwd als veredeld secretaressewerk, vrouwenwerk dus. Pas na de oorlog werd het gezien als technisch moeilijker werk, mannenwerk dus, en kreeg het een hogere status. Nu zie je dus maar weinig vrouwelijk softwareontwikkelaars. En dat is een probleem in ons beroep. Daar moeten we als ­professionals aan werken.”

Projectteam vol vrouwen: andere discussies, ander resultaat

Software-ontwikkelaar COOLProfs ontwikkelde voor de gemeente Den Haag een systeem voor wijkteams, dat onlangs werd opgeleverd. De meeste gebruikers daarvan zijn vrouwen, maar toch, zegt Annemarie Sonnenberg, consultant en projectleider bij COOLProfs, werd niet specifiek voor vrouwen ontwikkeld. “We houden wel rekening met hun wensen.”

Toch moet Sonnenberg heel hard nadenken om aspecten te vinden die bij dit project anders zijn dan bij ontwikkelprojecten voor voornamelijk mannelijke gebruikers. “Bij dit systeem ontwikkelden we bijvoorbeeld een dashboard waarop te zien moest zijn hoeveel – en hoe lang – casussen nog open lagen en of er spoed nodig was of niet. Daarbij gaven we met rood aan wat de urgente casussen waren en met oranje wat de bijna-urgente casussen waren.

Die kleuren hebben we op ­verzoek van de gebruikers vervangen. Zij vonden de kleuren agressief overkomen. Deze zijn nu vervangen door twee tinten blauw. Bij mannen hoor je zulke commentaren niet. Vrouwen lijken meer visueel ingesteld te zijn. Hier geldt bovendien dat mensen in de zorg erg gericht zijn op de mens. Zij zijn minder gericht op hoe iets in een systeem komt te staan.”

Onervaren gebruikers

Voor het project werd niet gefocust op vrouwen, maar op gebruikers die weinig in aanraking komen met computers, zegt Sonnenberg. Dat geldt ook voor mannen in de zorg. Het materiaal in de trainingsomgeving, ontwikkeld in samenwerking met de Haagse Hogeschool en InHolland, is daarop gericht. Dit betekent dat dat er stapsgewijs door schermen wordt gelopen om een casus af te wikkelen. Er staan veel screenshots bij en minder lange stukken tekst.

Onervaren gebruikers zijn voor ontwikkelaars de moeilijkste gebruikers. “Daar kun je je als IT’er moeilijker in inleven. Wij hebben ons eigen denkraam en daardoor richten wij ons met onze antwoorden vaak op technisch-functioneel beheerders”, zegt Sonnenberg. “Voor de onervaren gebruikers is het bijvoorbeeld ­belangrijk dat de lay-out op alle schermen hetzelfde is. ­Herkenningspunten zijn voor hen heel fijn.

Ook de look and feel is heel belangrijk. Ziet de software er op scherm anders uit, dan is de bedoeling van de software niet meteen duidelijk. Ze kunnen wat angstig zijn dat ze dingen doen die niet meer te herstellen zijn. Zeker bij dit systeem voor de zorg; als een casus door het proces wordt gehaald zijn ze bang dat ze niet terug kunnen in het systeem om dingen te herstellen die mogelijk fout zijn gedaan.”‘

Vrouwenproject

’In het projectteam van COOLProfs en Den Haag zaten bijna alleen vrouwen. Daar is niet bewust voor gekozen, benadrukt Sonnenberg. Niettemin staat het project bekend als het ‘vrouwenproject’. “Dat werkt goed om ­elkaar goed te begrijpen als het gaat om requirements”, vindt zij. “Tijdens het overleg heerste een ontspannen sfeer. Er werd wel veel gesproken over dingen die niet direct over het systeem ­gingen, maar over randverschijnselen.”

Heel anders ging het eraan toe bij een project dat Sonnenberg bij een grote bank had gedaan. “Daar ontwikkelden we een dashboard voor het hypothekensysteem. Ik had daarbij te maken met functionele en technische beheerders. Dat overleg was altijd heel erg to-the-point; puur over wat nodig was op de diverse schermen. Het gevolg was wel dat ik later merkte dat ze wat anders bedoelden dan ik dacht. Soms ook waren de discussies bij de bank te kort.”

Sonnenberg concludeert: “Ik kan niet zeggen wat het beste is, het heeft allebei plussen en minnen. Bij het ‘vrouwenproject’ staat er dankzij die vele discussies over het proces wel een proces dat echt werkt. Waren we daarin te snel geweest, dan zouden er tussendoor veel meer wijzigingen nodig zijn geweest.”

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Inloggen

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!